Hoe zit het eigenlijk?
Voor de een was het een wonder van harmonie en vreedzame coëxistentie, voor de ander een eindeloos slagveld met voortdurend strijdende partijen. De herinnering aan het islamitische Spanje, dat alles bij elkaar zo’n zeven eeuwen duurde, van ongeveer 700 tot ongeveer 1500, weet de gemoederen nog steeds te verhitten. Oók artistiek en cultureel, want van wie is die beroemde melodie eigenlijk? Arabisch? Joods? Christelijk? Of: Byzantijns? Visigotisch? Mozarabisch? Bij deze laatste drie onbekendere categorieën krijgen we eigenlijk al een hint van wat Andalucía of Al-Andalus eigenlijk was: een onontwarbaar kluwen van wederzijdse invloeden en gemakkelijke dan wel ongemakkelijke coëxistenties. Een klein muzikaal voorbeeld: de Arabische filosoof en componist Ibn Bajja, die leefde rond 1100, combineerde de liederen van de christenen met die van het oosten, waarmee hij een typische Andalusische stijl ontwikkelde. Die neigde volgens tijdgenoten ‘zozeer naar het temperament van de mensen dat zij alle andere muziek verwierpen.’

Begin
Laten we bij het einde beginnen: 1492. De rooms-katholieke alliantie van Isabella van Castilië en Ferdinand van Aragon lukte het om in dat jaar de allerlaatste islamitische heerser van Granada te overwinnen. Emir Mohammed XII overhandigde de sleutels van het Alhambra aan dit koningspaar. Het stond symbool voor de zuivering van Spanje van vreemde smetten. De moslims en de joden moesten zich bekeren of vertrekken. Christenen die zich niet volledig aan de dogma’s van Rome onderwierpen werden gedwongen dat wel te doen. De problemen met dit proces lagen niet zozeer in de onwil van de bewoners om iets anders te worden, maar in het feit dat na zeven eeuwen samenleven die verschillende iden+teiten amper te onderscheiden waren. Misschien wel nog strikt religieus, maar cultureel en emotioneel leefde de joodse lijfarts van de emir in harmonie samen met de christelijke schatbewaarder en de islamitische boekhouder. Wat te doen met een emir die uit een christelijke moeder was geboren en samen met verschillende katholieke bondgenoten tegen zijn Arabische rivalen had gevochten?

Mag ik er zijn?
Juist al deze vloeiende grenzen maakten van Andalucía wat het was: een maatschappelijk, cultureel en wetenschappelijk power house in middeleeuws Europa. Ook nu nog, in de 21ste eeuw, ontdekken Spaanse families in de staatsarchieven dat ze islamitische of joodse voorouders hadden, dat er geen eenduidigheid en geen eenheid bestaat. Nog steeds gaan deze ontdekkingen gepaard met een emotionele identificatie en met de grote vraag van het leven: waarom mag ik er zijn of er niet zijn? Wie accepteert me, wie definieert me, wie sluit me uit en wie neemt me op in zijn armen omdat menselijke herkenning en erkenning eigenlijk het allerbelangrijkste zijn?

Laatste Oordeel
De herovering van Spanje was een Laatste Oordeel. Het onverdraagzame en strikte katholicisme maakte aan alle kleuren een einde. De bloeiende culturen van het kosmopolitische kalifaat Córdoba en het veelzijdige christelijke Toledo, waar zich alle verdreven humaniteit en kennis verzamelde, werden vernietigd. Manuscripten met ‘rare’ letters – Arabisch en Hebreeuws – werden verbrand. Heinrich Heine bracht het later zo onder woorden: ‘Daar waar men boeken verbrandt, verbrandt men uiteindelijk ook mensen.’ De brandstapels van de Inquisi+e werden opgericht.

De oudere culturen van het Iberische schiereiland zijn op een goed moment allemaal verdwenen, verjaagd of ondergegaan. Het Romeinse rijk verviel, de Byzantijnen, die korte tijd het zuidelijkste puntje in bezit hadden, werden verjaagd, de christelijke Visigoten, die het bijzondere arianisme aanhingen, werden onvrijwillig opgenomen in de kerk van Rome, de moslims werden verdreven en gedwongen geconverteerd, evenals de joden. Maar tijdens al deze traumatische ervaringen bleef er een onderstroom van muziek klinken, ononderbroken, als een grondtoon. Die muziek hield alle herinneringen vast en werd telkens overgeleverd naar een volgende generatie en een volgende cultuur. Die stroom was tegen elke brandstapel bestand.

Iglesia de San Román
De Iglesia de San Román in Toledo is in de dertiende eeuw in mudéjar-stijl gebouwd. Dat wil zeggen: christelijke architectuur die gebruik maakt van Arabische architectonische voorbeelden. We zien hoefijzerbogen, bekend van de Mezquita in Córdoba, en friezen met Latijnse teksten, die veel lijken op de Arabische gekalligrafeerde originelen. Op deze plek stond een kerk van de Visigoten, de Noord-Europese christenen die deze regio ooit veroverden, en daarvóór een Romeins gebouw. De schilderingen in romaanse stijl combineren figuratieve elementen met typische mudéjar-decoraties. Op de fresco’s, gescheiden door inscripties, staan evangelisten, heiligen, engelen én het Laatste Oordeel, dat uitvoerig wordt beschreven in het bijbelboek van Johannes.

Sibyllen
Bijzonder is dat dat Oordeel wordt weergegeven door twee vrouwenfiguren die Sibyllen worden genoemd. Een Sibylle was bij de Grieken en Romeinen een wijze en mysterieuze vrouw die in extase, spontaan en ongevraagd de toekomst kon voorspellen. Zij staan hier afgebeeld tussen vier herauten die op slagtanden van olifanten blazen en daarmee daadwerkelijk het einde der tijden lijken aan te kondigen. Eén van de Sibyllen, de Sibylle van Erythrae, zou vóór de geboorte van Christus zijn komst al hebben aangekondigd. Augustinus maakt hier gewag van: ‘Hij zal met een doornenkroon worden gekroond. […] Hij zal de dood sterven, drie dagen slapen; en dan, terugkerend uit de hel, zal Hij als eerste naar het licht komen, waarbij het begin van de opstanding zal worden getoond aan hen die teruggeroepen worden.’

 

Oudste versie
Dat het in die oude kerk in Toledo juist de Sibyllen zijn die het Laatste Oordeel aankondigen is geen toeval. Er was op dat moment al een lange muzikale traditie van het Lied van de Sibylle. Dat was niet zozeer één specifiek lied maar meer een genre dat in mediterrane landen teruggaat tot de vroege middeleeuwen. Het kwam in veel variaties voor en werd regelmatig uitgevoerd in kerken en tijdens processies. De oudste versie is in Spanje aangetroffen in een manuscript uit het jaar 960, een kopie van een ouder manuscript van Visigotische oorsprong. Het wordt bewaard in de Mezquita van Córdoba.

Deze oudste versie maakte deel uit van de Mozarabische liturgie, de christelijke traditie tijdens de moslimperiode, die uit de Visigotische was voortgekomen. De bekendste versie van het Lied is in het Latijn geschreven en dateert van iets later, van de elfde eeuw. Dit manuscript uit het klooster van Ripoll bevindt zich in het huidige Catalonië, waar het enkele eeuwen lang regelmatig werd uitgevoerd. De Mallorcaanse variant, die tijdens dit concert klinkt, El Cant de la Sibilla, duikt op in de jaren rond 1360. Deze versie en varianten ervan werden tijdens de kerstnacht in het klooster van Lluc en de kathedraal van Palma uitgevoerd.

Inquisitie
Het waakzame oog van de Inquisitie bleef echter roet in het eten gooien. In 1563 werden alle uitvoeringen in Spanje verboden, als gevolg van ‘problemen die voortkwamen uit de uitvoeringen van de Sibylle, die aanstootgevend zijn voor onze Heer’. We kunnen gissen naar de echte redenen, maar omdat het Lied wortels heeì in het niet-Roomse christendom van het oude Spanje en muzikaal beïnvloed is door de verschillende muzikale culturen van het schiereiland, werd het waarschijnlijk gezien als een ‘onzuiver’ iets. Het verbod bleef met tussenpozen gehandhaafd, totdat de uitvoeringen in 1692 werden heringevoerd in de kathedraal van Palma de Mallorca, waar ze tot op de dag van vandaag voortduren.

De teksten vertellen vanuit een Sibillijnse profetie over wat er zal gebeuren op de dag van Christus’ oordeel over de mensheid, de dag van het Laatste Oordeel. Christus was al een keer op aarde gekomen in Bethlehem. Bij zijn tweede komst zal de wereld ten onder gaan in een apocalyps. Alle doden zullen uit hun graf herrijzen en de kwaden zullen van de goeden gescheiden worden: de eersten gaan naar de hel en de tweeden naar de hemel. Dat gaat met veel apocalyptisch kabaal gepaard: ‘Daarna zal [de wereld] wijd opensplijten, en grote ellende zal zichtbaar worden, er zullen kreten en donderslagen klinken, de helse verwarringen zullen zich tonen.’ Vooral de Mallorcaanse versie gaat met veel vuur en wapengekleîer gepaard.

Toch is er muzikaal sprake van een gevoel van tijdloosheid in deze variant, want de – oorspronkelijk – statige tempi van de strofen variëren licht, waardoor een gevoel van een wereld buiten de tijd, voorbij onze fragiele werkelijkheid ontstaat. Er spreekt een fatalistische visie uit het Lied, maar dan niet ons 21ste-eeuwse pessimisme, maar een overtuiging om het onvermijdelijke te accepteren. Het is eigenlijk alleen maar een voorspelling van de onheilspellende Sibylle, zij het een onontkoombare als je haar serieus neemt. Maar zover is het nu nog niet en in de tussentijd moeten we ons troosten met hoop. Ook daar zorgt het Lied voor. Omdat het op kerstavond wordt uitgevoerd vieren we – for the time being – de herinnering aan die eerste komst van Christus op aarde, 2025 jaar geleden.

In feite is El Cant de la Sibilla een eindpunt, net als 1492 dat was. Maar lang vóór dat fatale jaar waren er in het noordelijke deel van Spanje al meer gebieden op de islam terugveroverd. Daarin zette men de betrekkelijk vreedzame coëxistentie tussen de verschillende geloven gewoon voort, nu niet onder Arabische maar onder christelijke heerschappij. De plaats waar in de dertiende eeuw de fresco’s van de Sibyllen op de muur werden geschilderd, Toledo, nam een bijzondere positie in die periode in. De stad was al in 1085 ‘bevrijd’ van de moslims. In de tijd dat de San Román werd gebouwd regeerde een legendarische koning in Toledo, Alfonso X van Castilië. Zijn hof was, net als eerder Córdoba en Granada, een centrum van geleerdheid waar joodse, islamitische en christelijke culturen samenkwamen.

El Sabio
Alfonso’s bijnaam was El Sabio, de wijze. Hij liet Arabische, Hebreeuwse en Latijnse manuscripten verzamelen en die respectievelijk in het Latijn en Castiliaans vertalen. Dat waren ook veel teksten uit de klassieke oudheid, die door Arabische, joodse en christelijke wetenschappers van commentaar waren voorzien. Met de vertalers-school van Toledo vond een essentiële cultuuroverdracht plaats voor Europa. Koning Alfonso was eveneens geïnteresseerd in muziek en een aantal overgeleverde composities zouden zelfs van zijn hand zijn – zowel de tekst als de muziek. De compilatie Cantigas de Santa Maria – Liederen voor de Maagd Maria, geschreven in het Galicisch-Portugees, behoort tot de belangrijkste werken van zijn hof. De Cantigas zijn een van de grootste collecties liederen, enkele honderden, in de volkstaal uit de middeleeuwen. Ze gaan over wonderen die aan Maria worden toegeschreven en beelden haar op een menselijke manier uit. De cantiga Madre de Deus (Moeder van God, nr. 422), dat waarschijnlijk van de hand van de koning zelf is, spreekt net als het Lied van de Sibylle over een apocalyptische voorspelling: ‘En waar de heldere zon uit angst zwart zal worden, zeg Hem wat je voelde toen Hij gal en azijn dronk.’ Hier wordt eveneens de eerste en de tweede komst van Christus met elkaar verbonden.

 

Ketters
Niet veel later zou in hetzelfde Toledo een andere muziekstijl een laatste veilige haven vinden. De christelijke Visigoten hadden vanaf de vijfde eeuw het Romeinse Spanje bezet. Zij hadden hun eigen geloofsvorm, hun eigen liturgie en hun eigen muziek, afwijkend van Rome. De Visigotische gezangen, later ook wel Mozarabische gezangen genoemd, zijn in hun oorspronkelijke middeleeuwse vorm grotendeels verloren gegaan. De term Mozarabisch verwijst naar de continuering van het christendom tijdens de islamitische periode. Deze zang lijkt op het Gregoriaans maar is een onafhankelijke variant daarvan. Hij werd waarschijnlijk ook gezongen met meer versieringen en melismen, met meer glijdende keelklanken, en met echo’s van de Arabische muziek. In Toledo vond een unieke reddingsactie plaats voor deze muziek toen die als ‘ketters’ werd verboden door de katholieke kerk. Kardinaal Jiménez de Cisneros publiceerde rond 1500 een Mozarabisch missaal en breviarium, en in de kathedraal van Toledo wijdde hij een kapel aan het behoud van de Mozarabische rite en zang.

In die kapel bewaart men nu nog steeds deze bijzondere muziek, al weten we niet exact hoe authentiek die is, niet qua notenmateriaal vanwege aanpassingen en niet qua uitvoeringspraktijk vanwege een gebrek aan bronnen. Desalniettemin heeft de Mozarabische traditie, samen met de Arabische, een invloed uitgeoefend op de Cantigas en op verschillende versies van het Lied van de Sibylle. Een van de manuscripten uit die collectie is de Hymnus trium puerorum, de Hymne van de drie kinderen, die in een vuur worden gegooid maar door God gered werden: ‘En hij doofde de vlammen van de oven […] alsof er een geest van dauw waaide. En het vuur raakte hen helemaal niet: noch bracht het hen in nood: noch veroorzaakte het hen enig ongemak.’ Een ander bijzonder Mozarabisch gezang is Fulgebit iustus sicut splendor, De rechtvaardigen zullen stralen als de pracht van het firmament.

Wel of geen Reconquista
Hoewel we in Europa spreken van de Reconquista, de herovering van Spanje op de moslims, is dat een niet helemaal correcte term. De Romeinse, Byzantijnse en Visigotische christenen die er voor de komst van de Arabieren in 711  leefden, waren allerminst Spanjaarden in de moderne zin van het woord. Vanuit het perspectief van de moslims was die ‘Conquista’ een trauma, dat we misschien nog het beste kunnen vergelijken met de Palestijnse Naqba, de verdrijving uit Palestina in 1948. Een indrukwekkende klaagzang uit Al-Andalus schreef Abu al-Baqa’ Al-Rundi rond 1270, waarbij de toevoeging Al-Rundi erop wijst dat hij verbonden was met de Andalusische stad Ronda. Zijn gedicht getuigt ervan hoe diep het trauma van de verdrijving en van de gedwongen doop werd ervaren. De lamentatie over de val van Al-Andalus begint met de veelzeggende woorden: ‘Alles vergaat nadat het zijn perfectie heeft bereikt’. Al-Rundi besefte dat de bloeiperiode die hij had meegemaakt waarschijnlijk een van de best mogelijke werelden was geweest. Zijn tekst is een wanhopige oproep aan zijn geloofsgenoten in Marokko en Noord- Afrika om zijn land te hulp te schieten.

Arabische ud
‘Een ondraaglijke tragedie heeft het schiereiland getroffen. […] Vraag daarom aan Valencia: hoe is de toestand in Murcia? Waar is Córdoba, de bakermat van de wetenschappen, en waar zijn de vele belangrijke geleerden? Waar is Sevilla en het plezier dat het biedt, evenals zijn zoete rivier die overstroomt en kolkt?’ Het mocht allemaal niet baten, want Sevilla, waar hij ooit woonde, was op dat moment al veroverd door de christenen. Langzaam maar zeker zou de Arabische cultuur van Spanje verdwijnen en zich vooral naar het Afrikaanse continent terugtrekken. De gevluchte Andalusiërs – moslims en joden – namen hun muziek mee, zoals Zideni bi fareti, waarin eenzelfde trauma als dat van Al-Rundi doorklinkt: ‘Hoor mijn stem die opstijgt boven de onrust van deze wereld.’ Het wordt gezongen op de klanken van de Arabische ud, dat een klassiek begeleidingsinstrument voor de muziek van Andalusië is. Het snaarinstrument ud is een voorloper van de Europese luit en gitaar – een ander voorbeeld van hoe muzikale culturen probleemloos werden doorgegeven.

Muwashshahat
Een van de hoogtepunten van de Arabo-Andalusische cultuur vormde de zogenaamde Muwashshahat, een verzameling gedichten uit de middeleeuwen die zeer geliefd was en die niet alleen werd gelezen en gereciteerd maar ook inspireerde tot veel composities. Door de relatief korte vorm, de rijmschema’s en de aansprekende, vaak dagelijkse onderwerpen als de liefde, het liefdesverdriet, de wijn enzovoorts, zouden deze verzen via de Provençaalse troubadours uiteindelijk in de Europese literatuur terechtkomen. Hoewel de meeste poëzie in het Arabisch is geschreven was het niet ongebruikelijk om allerlei varianten te maken, zoals eerste strofen in het Hebreeuws of in het Ladino, een Latijnse volkstaal die onder andere door de joden werd gesproken. In de sefardisch-joodse cultuur van Al-Andalus werd ook volop in het Ladino gezongen: ‘Ik liep langs hoge torens, ik zeilde langs rijkdommen waar geen haan ooit kraaide, waar niemand mij kende. Regen valt uit de hemel, tranen vallen van mijn ogen.’ In dit lied klinken vervreemding, verdrijving en uitslui+ng in elk woord door.

Zuidelijkste puntje
We zijn in het zuidelijkste puntje van het Iberisch schiereiland aangekomen, daar waar de Tamazight-leider Tarik Ibn Zijad in 711 voet aan land zette met zijn zevenduizend man bij de berg die naar hem vernoemd werd, de Jabal Tariq, ofwel Gibraltar. Dit gebied was een eeuw eerder nog Grieks-Byzantijns geweest. ‘Sta op, Mariola, uit de aarde en uit de zwarte grond,’ klinkt een Grieks lied. Hoewel de Byzantijnen werden verdreven door de Visigoten, maakt de metafoor van de aarde en de zwarte grond voelbaar hoe vruchtbaar Al-Andalus was. De reden waarom iedereen het wilde bezetten.

Wachten op een hoopvollere Sibylle
Iets verderop naar het westen mondt de grote Guadalquivir uit in de Atlantische Oceaan. De naam heeì eveneens een Arabische wortel: Al-wadi al-kabir betekent niets anders dan de grote riviervallei. Het water voedde eeuwenlang de planten, dieren en mensen. Zelfs Al-Rundi koesterde de herinnering eraan: ‘Waar is Sevilla en het plezier dat het biedt, evenals zijn zoete rivier die overstroomt en kolkt.’ Vijfhonderd jaar nadat de vruchtbare samenleving met de zo verschillende bevolkingsgroepen werd uitgewist, begint nu ook de rivier zijn vruchtbaarheid te verliezen. Het vuur van de apocalyps, dat zo veelvuldig figureerde in alle composities, verhit het klimaat en laat het vruchtbare vocht verdampen. Mahmoud Darwish schreef: ‘Het was een rivier met twee oevers en een hemelse moeder die haar voedde uit druppelende wolken. Maar ze hebben haar moeder ontvoerd, zodat ze door uitdroging werd getroffen en, kalm, is gestorven van dorst.’ We wachten op een hoopvollere Sibylle.

Tekst: Willem Bruls